rivaliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·va·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rivaliteit rivaliteiten
verkleinwoord rivaliteitje rivaliteitjes

Zelfstandig naamwoord

rivaliteit v

  1. wedijver tussen tegenstanders die hetzelfde doel bereiken willen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.