ritsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rit·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ritsen
ritste
geritst
zwak -t volledig

Werkwoord

ritsen

  1. inergatief (verkeer) om beurten invoegen zoals de tanden van een rits
    • Wanneer twee banen tot een enkele baan versmald worden, moet er geritst worden. 
  2. het openen of sluiten van een rits
     Er schoot adrenaline door mijn hele lijf en paniekerig probeerde ik zo snel mogelijk mijn muskietennet omhoog te ritsen.[1]

Zelfstandig naamwoord

ritsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rits

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be