ritsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rit·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ritsen
ritste
geritst
zwak -t volledig

Werkwoord

ritsen

  1. inergatief (verkeer) om beurten invoegen zoals de tanden van een rits
    • Wanneer twee banen tot een enkele baan versmald worden, moet er geritst worden. 

Zelfstandig naamwoord

ritsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rits

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie