risten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ris·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
risten
ristte
gerist
zwak -t volledig

Werkwoord

risten [1] [2]

  1. overgankelijk tot een ris bijeenvoegen
  2. overgankelijk van de ris afnemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

risten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rist

Werkwoord

vervoeging van
rissen

risten

  1. meervoud verleden tijd van rissen
    • Wij risten. 
    • Jullie risten. 
    • Zij risten. 

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.

Verwijzingen