rioleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·o·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rioleren
rioleerde
gerioleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

rioleren

  1. overgankelijk van een afvoer van vloeibaar afval voorzien
    • In de jaren 1860 en 1870 werden vele steden gerioleerd en dit was een grote verbetering voor de volksgezondheid. 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.