rimmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

rimmen
Uitspraak
Woordafbreking
  • rim·men
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

rimmen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rimmen
rimde
gerimd
zwak -d volledig
  1. in een kring leggen van turven
  2. (seksualiteit) de anus van de partner likken met de tong
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen