ridderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rid·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ridderen
ridderde
geridderd
zwak -d volledig

Werkwoord

ridderen

  1. (overgankelijk) iemand de titel ridder verlenen
    Hij werd geridderd voor zijn vele bijdragen tot de volksgezondheid.