ribbel

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rib·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verhoging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1897 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ribbel ribbels
verkleinwoord ribbeltje ribbeltjes

Zelfstandig naamwoord

de ribbelv / m

  1. smalle verhoging aan een voorwerp
    • De ribbel in de pan zorgt voor een mooi streepje op het voedsel. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ribbelen

ribbel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribbelen
    • Ik ribbel. 
  2. gebiedende wijs van ribbelen
    • Ribbel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribbelen
    • Ribbel je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen