ribbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rib·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verhoging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1897 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ribbel ribbels
verkleinwoord ribbeltje ribbeltjes

Zelfstandig naamwoord

ribbel v/m

  1. smalle verhoging aan een voorwerp
    • De ribbel in de pan zorgt voor een mooi streepje op het voedsel. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen