reuring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reu·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reuring
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

reuring v [2]

  1. drukte die de rust verstoort of de saaiheid verdrijft
    • Het tweetal sloeg in Bahrein voortvarend de revolutie neer die ruimer opgevat bekend staat als de Arabische Lente van 2011. De koning en zijn zoon hadden niet veel op met reuring; Arabische revoluties zijn lastige, democratische oprispingen die een volk nooit ten goede kunnen komen! [3] 
    • "Bewoners hebben een goede band met de instelling. Zorg en samenleven gaan al lang hand in hand. Die band is nu door deze afschuwelijke gebeurtenis verbroken. Mensen zijn overspoeld door een zoekend leger, zoekende politie, helikopters in de lucht, door vrijwilligers, media. Dat brengt zoveel reuring dat ze onzeker worden. Daar hebben we het vanmiddag over gehad." [4] 
    • „Het gaat om de mix. We hebben zo’n 10.000 buitenlandse bezoekers. Dat zijn verzamelaars, handelaren en museummensen. De regionale bezoekers zijn vooral in kunst geïnteresseerd. Maar zij zorgen dat het druk is. Heel belangrijk: voor omzet heb je reuring nodig. Bezoekers die voor een kunstwerk staan te dralen en vragen hoe duur iets is, dat stimuleert de echte verzamelaars. Die vrezen dat een ander er met ‘hun’ kunstwerk vandoor gaat.” [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
7 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. reuring op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Standaard 26 AUGUSTUS 2016
  4. Tubantia 11-oktober-2017
  5. NRC Arjen Ribbens 6 april 2016