Naar inhoud springen

retorica

Uit WikiWoordenboek
  • re·to·ri·ca
enkelvoud meervoud
naamwoord retorica retorica's
verkleinwoord - -

deretoricav

  1. leer van de welsprekendheid
     Ze kenden elkaar al geruime tijd en het was zelfs op Cicero's aanraden geweest dat de jongere man naar Rhodos was gegaan om retorica te studeren onder Apollonius Molo.[4]
     In 1504 geeft hij colleges retorica in Leuven, wat hem onderdak en een klein salaris oplevert, net als het doceren in Cambridge.[5]
86 %van de Nederlanders;
91 %van de Vlamingen.[6]