retomber
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| retomber /ʁə.tɔ̃.be/ |
retombais /ʁə.tɔ̃.bɛ/ |
retombé /ʁə.tɔ̃.be/ |
| eerste groep | volledig | |
retomber
- onovergankelijk opnieuw vallen
- onovergankelijk (figuurlijk) zich opnieuw in een (ongelukkige) situatie bevinden
- «Je suis retombé malade.»
- Ik ben weer ziek geworden.
- «Je suis retombé malade.»
- onovergankelijk (figuurlijk) hervallen [2]; in een slechte gewoonte vervallen
- onovergankelijk terugvallen; een bereikte hoge positie weer opgeven