Naar inhoud springen

retomber

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
retomber
/ʁə.tɔ̃.be/
retombais
/ʁə.tɔ̃.bɛ/
retombé
/ʁə.tɔ̃.be/
eerste groep volledig

retomber

  1. onovergankelijk opnieuw vallen
  2. onovergankelijk (figuurlijk) zich opnieuw in een (ongelukkige) situatie bevinden
    «Je suis retombé malade.»
    Ik ben weer ziek geworden.
  3. onovergankelijk (figuurlijk) hervallen [2]; in een slechte gewoonte vervallen
  4. onovergankelijk terugvallen; een bereikte hoge positie weer opgeven