requisitoir

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·qui·si·toir
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eis, betoog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1548 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord requisitoir requisitoirs
requisitoiren
verkleinwoord requisitoirtje requisitoirtjes

Zelfstandig naamwoord

requisitoir o

  1. (juridisch) de aanklacht van de officier van justitie tijdens een strafproces, waarin hij de feiten op een rijtje zet, zijn mening geeft over het bewijs en een bepaalde straf eist
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen