repetitief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·pe·ti·tief
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen repetitief repetitiever repetitiefst
verbogen repetitieve repetitievere repetitiefste
partitief repetitiefs repetitievers -

Bijvoeglijk naamwoord

repetitief

  1. zich herhalend
     In De andere naam van Jon Fosse is de stijl zeker eigen. De Noorse meester van het langzame proza daalt in repetitieve, ritmische zinnen af in het hoofd van een piekerende schilder.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Emilia Menkveld “Vijf Nederlandse vertalers maken kans op Filterprijs 2020” (13 maart 2020), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be