renoveren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·no·ve·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
renoveren
renoveerde
gerenoveerd
zwak -d volledig

Werkwoord

renoveren

  1. overgankelijk opknappen, repareren, vernieuwen
    • Volgend jaar gaan zij beginnen dit huis te renoveren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen