remspoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rem·spoor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord remspoor remsporen
verkleinwoord remspoortje remspoortjes

Zelfstandig naamwoord

remspoor o [1]

  1. spoor dat door een rubberband op de weg achtergelaten wordt als er met geblokkeerde remmen geremd wordt
  2. (eufemisme) (spreektaal) achtergebleven ontlasting in ondergoed of op de toiletpot
     Onze excuses als het even plastisch wordt, maar we kunnen er niet omheen: menselijke uitwerpselen zijn van nature plakkerig. U kunt er dus zelf niet zo veel aan doen dat een toiletbezoek zo vaak "remsporen" oplevert, vuile vlekken op de toiletpot dus.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 19 november 2020 Weblink bron Stefan Grommen “Vaarwel "remsporen": kan dit ultragladde laagje voor toiletpotten miljarden liters water uitsparen?” (19 november 2019) op vrt.be
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be