remmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rem·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
remmen
/'rɛmə(n)/
remde
/'rɛmdə/
geremd
/ɣə'rɛmt/
zwak -d volledig

Werkwoord

remmen

  1. snelheid doen verminderen
    De automobilist remde stevig om het plotseling opdoemende obstakel te kunnen vermijden.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

remmen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rem