relict

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·lict
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘overblijfsel’ voor het eerst aangetroffen in 1832 [1]
  • van het Latijnse relictum [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord relict relicten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

relict o [3]

  1. overblijfsel uit vroegere tijd
Vertalingen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen