reken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ken

Werkwoord

vervoeging van
rekenen

reken

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rekenen
    • Ik reken. 
  2. gebiedende wijs van rekenen
    • Reken! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rekenen
    • Reken je? 

Zelfstandig naamwoord

reken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord reek

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be