reizend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·zend
stellend
onverbogen reizend
verbogen reizende
partitief reizends

Bijvoeglijk naamwoord

reizend

  1. als iets of iemand op reis is
    • De reizende tentoonstelling is nu in Amsterdam te bewonderen en volgende week in Rotterdam. 

Werkwoord

vervoeging van
reizen

reizend

  1. onvoltooid deelwoord van reizen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.