regalia

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ga·lia
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord (regaal) regalia, regaliën
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

regalia mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord regaal, alleen in de betekenis "koninklijk voorrecht"
    • Naast hem bestuurde de ‘domesticus’ het domein in de gouw en inde de opbrengst der koninklijke regalia. [1]
  2. de uiterlijke tekenen van de soevereine macht van een vorst.
    • In de Nieuwe Kerk werden de regalia getoond tijdens de inhuldingsceremonie van de nieuwe koning, te weten de kroon, de scepter, de grondwet en de rijksappel. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders
39 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen