recupereren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·cu·pe·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
recupereren
recupereerde
gerecupereerd
zwak -d volledig

Werkwoord

recupereren [2]

  1. ergatief (wielrennen) opnieuw op krachten komen na grote lichamelijke inspanning, herstellen
  2. overgankelijk terugwinnen, recyclen, herwinnen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen