rectificeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rec·ti·fi·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘rechtzetten’ voor het eerst aangetroffen in 1553 [1]
  • afgeleid van het Franse rectifier (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rectificeren
rectificeerde
gerectificeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

rectificeren

  1. overgankelijk een gemaakte fout verbeteren
    • De krant rectificeerde de volgende dag de storende fout. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen