rechtte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • recht·te

Werkwoord

vervoeging van
rechten

rechtte

  1. enkelvoud verleden tijd van rechten
    • Ik rechtte. 
    • Jij rechtte. 
    • Hij, zij, het rechtte. 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be