rauscht
Uiterlijk
- rauscht
du rauscht
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche
er, sie es rauscht
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche
dihr rauscht
- tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche (lokale variant)
ihr rauscht
- tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche (lokale variant)
du rauscht
- derde persoon enkelvoud toekomende tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche
er, sie, es rauscht
- derde persoon enkelvoud toekomende tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche
dihr rauscht
- tweede persoon meervoud toekomende tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche (lokale variant)
ihr rauscht
- tweede persoon meervoud toekomende tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van rausche (lokale variant)