rast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rast

Bijvoeglijk naamwoord

rast

  1. onverbogen vorm van de overtreffende trap van ras


Zweeds

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

rast g

  1. pauze
    «Barnen har rast halv elva varje dag.»
    De kinderen hebben elke dag om half elf pauze.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   rast     rasten     raster     rasterna  
genitief   rasts     rastens     rasters     rasterna