rangschikten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rang·schik·ten

Werkwoord

vervoeging van
rangschikken

rangschikten

  1. meervoud verleden tijd van rangschikken
    • Wij rangschikten. 
    • Jullie rangschikten. 
    • Zij rangschikten.