Naar inhoud springen

randen

Uit WikiWoordenboek
  • ran·den

de[A] randenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rand
     Flitsend en exploderend schuift hij nu langzaam maar zeker naar het maximum van zijn elfjarige cyclus, als je goed kijkt zie je dat hij aan zijn randen is ontveld door een hevig licht en dat zijn oppervlak is gehavend door zonnevlekken.[3]
     Op de dag van de heropening droeg Rensing een nieuwe slagersjas, smetteloos wit, de randen afgezoomd met een rood-wit ruitjespatroon.[4]

[B] randen

  1. (verouderd) tekeergaan (van honden)

Engels: rant

100 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[5]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. randen op website: Etymologiebank.nl
  3. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  4. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • ran·den

randen m

  1. nominatief bepaald enkelvoud van rand (zelfstandig naamwoord, eerste afdeling, betekenissen 1-5)

randen m

  1. nominatief bepaald enkelvoud van rand (zelfstandig naamwoord, tweede afdeling)
  • ran·den

randen m

  1. nominatief bepaald meervoud van rand (zelfstandig naamwoord, tweede afdeling)

randen m

  1. nominatief bepaald meervoud van rande