rammelkar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·mel·kar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rammelkar rammelkarren
verkleinwoord rammelkarretje rammelkarretjes

Zelfstandig naamwoord

rammelkar v/m

  1. gammel voertuig op wielen
     Ja, Lioe-Tsjau had een fiets, een oude rammelkar.[1]
  2. (Suriname) zelfgemaakte speelgoedwagen
     Het Kinderboekenweekgeschenk bestaat dit jaar uit een vierkleurenplaajt met diverse „rammelkarren”. (een rammelkar bestaat uit twee olieblikken in een houten frame die Surinaamse jongens maken om’ er op straat wedstrijden mee te houden).[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 22 oktober 2020 Weblink bron Anne de Vries op Wikipedia “Jaap en Gerdientje. Deel 6. De wijde wereld.”, 8e druk (1953), G.B. Van Goor Zonen's Uitgeversmaatschappij N.V., 's-Gravenhage, p. 74
  2. Bronlink geraadpleegd op 22 oktober 2020 Weblink bron Kinderboekenweek met geschenk in: Tubantia, jrg. 96 nr. 247 (19 oktober 1967), Van der Loeff, Enschede, p. 11 kol. 2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be