rakker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rak·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘deugniet’ voor het eerst aangetroffen in 1865 [1]
  • radbraker, beulsknecht
enkelvoud meervoud
naamwoord rakker rakkers
verkleinwoord rakkertje rakkertjes

Zelfstandig naamwoord

rakker m

  1. ondeugend persoon, iemand die zich vrijpostigheden permiteert
    • Die rakker had weer kattenkwaad uitgehaald. 
  2. politieagent, diender
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen