Naar inhoud springen

rakker

Uit WikiWoordenboek
  • rak·ker
enkelvoud meervoud
naamwoord rakker rakkers
verkleinwoord rakkertje rakkertjes

derakkerm

  1. (informeel) ondeugend persoon, iemand die zich vrijpostigheden permitteert
    • Die rakker had weer kattenkwaad uitgehaald. 
     Ze waren een kleine, harde kern van linkse rakkers die oorspronkelijk leerjongens waren geweest van de linkse theoreticus Gotfred Appel en ze hadden al in de vroege jaren zeventig de theorie aanvaard over 'parasietstaten', waarin de arbeidersklasse met behulp van materiële welvaart werd omgekocht tot politieke passiviteit.[4]
  2. (informeel), (beroep) iemand die bij de politie werkt
vervoeging van
rakkeren

rakker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rakkeren
    • Ik rakker. 
  2. gebiedende wijs van rakkeren
    • Rakker! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rakkeren
    • Rakker je? 
98 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[5]