rakelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rakelen
rakelde
gerakeld
zwak -d volledig

Werkwoord

rakelen

  1. inergatief door het vuur heen en weer poken
    • Hij rakelde wat en voegde nog wat briketten toe om het vuur niet uit te laten gaan. 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen