radiospot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·dio·spot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord radiospot radiospots
verkleinwoord radiospotje radiospotjes

Zelfstandig naamwoord

radiospot m

  1. korte reclame op de radio
    • Minister Ferd Grapperhaus van Justitie en Veiligheid zegt: „Het is voor iedereen logisch de buitendeur op slot te draaien, maar dat geldt niet voor onze digitale deuren.” De campagne, die er ook op is gericht foute links te leren herkennen, is te zien op sociale media als Facebook, Twitter en Snapchat. Ook is er een radiospot.[1] 
    • Renault gaf net als vorig jaar het meest uit aan radiospotjes. Op de tweede plaats staat Ziggo, voor de winkelketens Kruidvat en Lidl. T-Mobile verdubbelde zijn radio-uitgaven en steeg daardoor naar de vijfde plaats.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen