raddraaier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rad·draai·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord raddraaier raddraaiers
verkleinwoord raddraaiertje raddraaiertjes

Zelfstandig naamwoord

raddraaier v

  1. iemand die dingen doet die bij de wet verboden zijn
    • De raddraaiers werden door de politie gearresteerd en opgesloten. 
    • De raddraaier groeide op voor 'galg en rad'. 
    • 'Ik zou ze het liefst allemaal persoonlijk in elkaar slaan. Mijn handen jeuken.”' Een citaat van VVD-voorman en premier Rutte over de raddraaiers die met oud en nieuw hulpverleners in het nauw brachten. [3] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen