röntgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rönt·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord röntgen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

röntgen m [2]

  1. (eenheid) eenheid van hoeveelheid röntgenstraling (geen SI-eenheid)
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
röntgenen

röntgen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van röntgenen
    • Ik röntgen. 
  2. gebiedende wijs van röntgenen
    • Röntgen! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van röntgenen
    • Röntgen je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen