rétablir
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rétablir |
rétablissais |
rétabli |
| tweede groep | volledig | |
rétablir
- overgankelijk herstellen [1]
- overgankelijk herinvoeren; herstellen [3]
- overgankelijk weer in een goede staat zetten
- overgankelijk iemand terug in zijn functie of ambt zetten
- overgankelijk heroprichten; een organisatie weer in het leven roepen
se rétablir
- wederkerend zich herstellen [4]; in een voorgaande toestand terugkeren
- wederkerend zich herstellen [5]
- ↑ rétablir (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.