récidive
Uiterlijk
- geleend van middeleeuws Latijn recidiva, een vrouwelijk zelfstandig naamwoord gevormd uit het klassiek Latijn bijvoeglijk naawoord recividus "terugvallend; terugkomend", wat weer een afleiding is van het werkwoord recidere "terugvallen" [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| récidive | la récidive | récidives | les récidives |
récidive v
| vervoeging van |
|---|
| récidiver |
récidive
- ↑ récidive (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.