putwater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

waterput met putwater
Uitspraak
Woordafbreking
  • put·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord putwater
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

putwater o [1]

  1. water dat komt uit een waterput, waterwinput of welput
    • Tegen half twaalf aangekomen in Bir Djefaïr; we rusten uit op de binnenplaats, waar het krioelt van de schorpioenen. Als aankomende lastdierdrijver heb ik met mijn witte ijzeren mok mijn guerba (leren zak) gevuld met putwater van uitstekende kwaliteit.[2] 
    • De arts eiste bijkomende onderzoek van het water in de longen van het slachtoffer. Het Nationaal Instituut Criminalistiek en Criminologie stelde daarop vast dat het water een heel andere samenstelling had dan het putwater waarin het lichaam was aangetroffen.[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Volkskrant 19 juli 2017 Dorst en koorts in de Sahara
  3. de Standaard 01/12/2017 om 10:32 door dirk coosemans, wim jacobs en cedric lagast Verdwijning blijkt na 2,5 jaar moord