putten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • put·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
putten
putte
geput
zwak -t volledig

Werkwoord

putten [2] [3] [4]

  1. (water) halen uit, ontlenen aan
  2. (sport) (overgankelijk) (de bal) in de hole proberen te slaan
  3. ophalen
Hyponiemen

Zelfstandig naamwoord

putten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord put

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal