pulseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pul·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kloppen’ voor het eerst aangetroffen in 1901 [1]
  • uit het Frans met het achtervoegsel -eren[2]

Werkwoord

pulseren [3]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pulseren
pulseerde
gepulseerd
zwak -d volledig
  1. ritmisch sterker en zwakker worden
    • De leeftijd van die sterren kon ze halen uit recente waarnemingen van hoe die sterren pulseren, eveneens met een Amerikaanse (Kepler) en een Europese (Corot) satelliet. Die maakten een veel nauwkeuriger datering mogelijk dan tot nu toe kon. [4] 
    • Een pulserend, laagtonig stampend of bonkend geluid, dat doet denken aan heien op afstand of een trein zonde einde. Als de zon laag staat veroorzaken de draaiende wieken slagschaduwen, bewegende schaduwen die ver reiken en zeer hinderlijk zullen zijn. En dat in een gebied dat de provincie Overijssel in eerste instantie helemaal niet geschikt achtte voor het plaatsen van windmolens”, schrijft ze om te vervolgen dat de omwonenden waarschijnlijk wel in aanmerking komen voor planschade. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen