puf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • puf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord puf puffen
verkleinwoord pufje pufjes

Zelfstandig naamwoord

puf m

  1. fut, energie, lust
    • Na 10 dagen hard werken had hij geen puf meer om nog gezellig op visite bij zijn familie te gaan. 
  2. (medisch) plotselinge uitstoot van lucht of gas (bij inhalatie van medicatie)
    • Hij gebruikte pufjes i.v.m. zijn cara. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
puffen

puf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van puffen
    • Ik puf. 
  2. gebiedende wijs van puffen
    • Puf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van puffen
    • Puf je?