puberde
Uiterlijk
- pu·ber·de
| vervoeging van |
|---|
| puberen |
puberde
- enkelvoud verleden tijd van puberen
- Ik puberde.
- Jij puberde.
- Hij, zij, het puberde.
- Ik puberde.
- Het woord puberde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.