pruts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pruts

Werkwoord

vervoeging van
prutsen

pruts

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prutsen
    • Ik pruts. 
  2. gebiedende wijs van prutsen
    • Pruts! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prutsen
    • Pruts je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be