prudentie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pru·den·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord prudentie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

prudentie v [2]

  1. voorzichtigheid, inzicht, beleid
    • De oppositie heeft grote moeite met deze 'meevaller', bleek woensdag in de Tweede Kamer. Tijdens een debat met minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën wezen diverse fracties op de grote risico's die de Staat loopt als het misgaat met de leningen. Volgens CDA'er Eddy van Hijum gaat het kabinet 'tot op het randje van wat je uit het oogpunt van prudentie kunt doen'. PVV-Kamerlid Teun van Dijck had het over 'één grote truc om zich rijk te rekenen met geld dat er niet is'. [3] 
    • Frissen adviseert: ,,Maak het politieke minder persoonlijk. Op het scherpst van de snede strijden en debatteren kan en moet zonder intimideren en schofferen. Intelligentie en kennis strekken vooral tot bescheidenheid. Van dominante persoonlijkheden valt in de politiek prudentie te verwachten. Wie de samenleving normen voorhoudt, moet zich zelf daaraan houden. De macht schept de verplichting tot maatvoering, respect voor pluriformiteit en zelfbinding." [4] 
    • Het kapitalisme, zelfs in de Amerikaanse verschijningsvorm, werkt beschavend. De vier kardinale deugden (prudentie, moed, matigheid en rechtvaardigheid) en drie theologische deugden in hun alledaagse betekenis (geloof als vertrouwen, hoop voor de toekomst en liefde als vriendschap) worden in een markteconomie aangemoedigd. Andere typische bourgeoisiedeugden als ijver, integriteit en verantwoordelijkheidsgevoel vloeien uit deze zeven voort. Volgens McCloskey voedt de vrije markt niet alleen deugden, maar heeft deze die voor een goede werking ook nodig. [5] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen