provoceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·vo·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
provoceren
provoceerde
geprovoceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

provoceren [3]

  1. overgankelijk een reactie oproepen, uitdagen
  2. overgankelijk een negatieve reactie oproepen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen