provoceerden
Uiterlijk
- pro·vo·ceer·den
| vervoeging van |
|---|
| provoceren |
provoceerden
- meervoud verleden tijd van provoceren
- Wij provoceerden.
- Jullie provoceerden.
- Zij provoceerden.
- Wij provoceerden.
- Het woord provoceerden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.