protestant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·tes·tant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord protestant protestanten
verkleinwoord protestantje protestantjes

Zelfstandig naamwoord

protestant m

  1. (religie) (christelijk) christen die is aangesloten bij het protestantisme
    • Maar van de eucharistie heb ik me altijd ver gehouden. Het is trouwens officieel ook zo dat je het als protestant vanuit je kerk niet kunt doen en aan de andere kant mag een priester je officieel waarschijnlijk ook niet de hostie aanreiken.[4] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen protestant protestanter protestantst
verbogen protestante protestantere protestantste
partitief protestants protestanters -

Bijvoeglijk naamwoord

  1. volgens een bepaalde richting van het christendom
     Zo kwam ik bij de vraag: geloof ik in God? Hoewel ik protestant ben opgevoed en mijn hele leven als religieuze pelgrim op zoek naar God van kerk naar kerk zwierf ben ik nooit een grote fan van predikanten geweest.[5]
Synoniemen
  1. protestants

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen