prosodisch
Uiterlijk
- Geluid: prosodisch (hulp, bestand)
- pro·so·disch
- Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘m.b.t. de prosodie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
- afgeleid van prosodie met het achtervoegsel -isch [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | prosodisch | prosodischer | |
| verbogen | prosodische | prosodischere | |
| partitief | prosodisch | prosodischers | - |
prosodisch [3]
- betrekking hebbend op de prosodie
- Het woord prosodisch staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ "prosodisch" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ prosodisch op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).