propriétaire
Uiterlijk
- Geluid: propriétaire (hulp, bestand)
- IPA: /pʁɔ.pʁi.je.tɛʁ/
- Geattesteerd sinds de 13de eeuw; geleend van juridisch Laatlatijn proprietarius "tot iemand toebehorend" of "persoon die een bepaald goed bezit", een afleiding van proprietas (zie Frans propriété) [1]
- Kan gezien worden als een afleiding van propriété met het achtervoegsel -aire
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| propriétaire | le/la propriétaire | propriétaires | les propriétaires |
- proprio (verkorting), (spreektaal)
- ↑ propriétaire (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.