proportioneel
Uiterlijk
- pro·por·ti·o·neel
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘evenredig’ voor het eerst aangetroffen in 1681 [1]
- afgeleid van proportie met het achtervoegsel -eel [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | proportioneel | proportioneler | proportioneelst |
| verbogen | proportionele | proportionelere | proportioneelste |
| partitief | proportioneels | proportionelers | - |
proportioneel
1. evenredig
- Het woord proportioneel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "proportioneel" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "proportioneel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ proportioneel op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be