promiscuïteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·mis·cu·i·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord promiscuïteit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

promiscuïteit v [1]

  1. het promiscue zijn, volledig vrije seks met meerdere personen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen