projecteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·jec·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
projecteren

projecteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van projecteren
    • Ik projecteerde. 
    • Jij projecteerde. 
    • Hij, zij, het projecteerde.