programmeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·gram·meur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord programmeur programmeurs
verkleinwoord programmeurtje programmeurtjes

Zelfstandig naamwoord

programmeur m

  1. (beroep) iemand die programmeert (b.v. (informatica) iemand die computerprogramma's schrijft)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Frans

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  programmeur     le programmeur     programmeurs     les programmeurs  





programmeur m

  1. programmeur, softwareontwikkelaar